Algemeen landelijk geldende regelgeving

Energiezuinigheid – EPC/EMG, energielabel, EMG

Energieprestatie – EPC

“Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van gebouwen (EPG). Deze norm geldt voor zowel nieuwbouw van woningen als utiliteitsbouw.

Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen aangescherpt en aangepast in het Bouwbesluit. Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4. De EPC voor utiliteitsgebouwen hangt af van de gebruiksfunctie.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/energieprestatie, geciteerd op 21-12-2016)

“Het Bouwbesluit wijst de NEN 7120 aan als bepalingsmethode voor de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De EPC beoordeelt integraal de energiezuinigheid van een woning/woongebouw of utiliteitsgebouw. Dit gebeurt op basis van gebouweigenschappen, installaties en standaard gebruikersgedrag. Het maakt hierbij niet uit welke energiebesparende maatregelen worden genomen, zolang de vereiste energieprestatie gerealiseerd wordt.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-epc/bepalingsmethode, geciteerd op 21-12-2016)

Bepalingsmethode: NEN 7120

“De bepalingsmethode voor het maken van een EPC-berekening is per 1 juli 2012 de NEN 7120 – Energieprestatie van Gebouwen (EPG). Deze norm beschrijft de methode over het schematiseren van het gebouw en het berekenen van het energiegebruik van gebouwinstallaties. Voor het bepalen van de transmissieverliezen voor verwarming en koeling verwijst de NEN 7120 naar de NEN 1068 – Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethoden. Voor het energiegebruik van ventilatie verwijst de NEN 7120 naar de NEN 8088-1 – Ventilatie en luchtdoorlatendheid van gebouwen.

Daarnaast is het mogelijk energiebesparende maatregelen op gebiedsniveau te waarderen. Hiervoor verwijst de NEN 7120 naar de NVN 7125 – Energieprestatienorm voor maatregelen op gebiedsniveau (EMG).”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-epc/bepalingsmethode, geciteerd op 21-12-2016)

Bij de EPC gaat het om de gebouwgebonden energie. Dus energie uit openbare voorzieningen en gebruikersgebonden energie (zoals voor tv’s en wasmachines) worden niet in de berekening meegenomen. Bovendien gaat het om primaire energie en niet om nuttige energie.

Gebiedsmaatregelen: EMG

In de berekening van de EPC van een gebouw kunnen EnergieMaatregelen op Gebiedsniveau (EMG) ook worden meegenomen. “Voorbeelden van gebiedsmaatregelen zijn onder andere stadsverwarming (externe warmtelevering), grootschalige zonne-energie en windmolens.

Traditionele gebiedsmaatregelen zijn warmtenetten die gevoed worden met aftapwarmte of restwarmte van elektriciteitsproductie- of afvalverbrandingsinstallaties. De afgelopen jaren zijn verschillende nieuwe systemen ontwikkeld, zoals kleine warmtenetten die verwarmd worden met warmtepompen, grote warmtenetten die verwarmd worden met geothermie en koudenetten. Deze systemen bieden een goede basis om aan de EPC-eisen te voldoen.

De NEN 7120 beperkt zich tot het perceel of gebouw, waardoor gebiedsmaatregelen buiten de reikwijdte van de norm vallen. In de NEN 7120 geldt daarom een forfaitair opwekkingsrendement van 1,0 voor externe warmtelevering. Voor maatregelen buiten het eigen perceel is de NVN 7125 ontwikkeld, waarmee het equivalent opwekkingsrendement van gebiedsmaatregelen bepaald kan worden.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-epc/gebiedsmaatregelen, geciteerd op 21-12-2016)

Kwaliteits- en gelijkwaardigheidsverklaringen

“De ontwikkelingen in de bouwwereld staan niet stil. Geregeld komen innovatieve technieken en methoden op de markt. Om nieuwe ontwikkelingen in de energieprestatieberekeningen te kunnen waarderen, biedt het Bouwbesluit de mogelijkheid om bij het berekenen van de EPC-gebruik te maken van kwaliteits- en gelijkwaardigheidsverklaringen. In de NEN 7120 zijn veel technieken opgenomen door middel van een meetmethodiek. Hierdoor kan voor deze technieken volstaan worden met een kwaliteitsverklaring van een product als men een beter rendement wil hanteren dan de forfaitaire waarde. Herberekeningsformulieren worden daarom sinds de invoering van de NEN 7120 niet veel meer toegepast.

Wanneer men een innovatieve techniek of oplossing wil waarderen waarvoor geen meetmethodiek in de norm is opgenomen of die überhaupt niet in de norm is opgenomen, dient men een gelijkwaardigheidsverklaring te overleggen.

Kwaliteitsverklaringen

In EPC-berekeningen kan gebruik gemaakt worden van forfaitaire waarden. Deze rekenwaarden zijn over het algemeen een veilige aanname, waaraan het merendeel van de op de markt aanwezige toepassingen voldoet. Het Bouwbesluit staat toe dat er onder bepaalde voorwaarden gunstigere rekenwaardes worden gehanteerd. Dit mag wanneer kan worden aangetoond dat het product bij dezelfde uitgangspunten als in de norm en bij representatieve omstandigheden, een hoger rendement realiseert. Dit hogere rendement mag vervolgens worden gehanteerd (met inachtneming van de afrondingsregels). Een dergelijke claim wordt vastgelegd in een kwaliteitsverklaring, die door de betreffende leveranciers kunnen worden geleverd.

Gelijkwaardigheidsverklaringen

In het Bouwbesluit bestaat de mogelijkheid innovatieve technieken en oplossingen toe te passen die niet in de bouwvoorschriften of aangewezen normen zijn opgenomen. Een fabrikant vraagt aan een controlerende instantie of de door hem geclaimde prestatie (op het gebied van veiligheid, energieverbruik, bruikbaarheid enzovoort) terecht is. Indien dat het geval is krijgt de fabrikant een gelijkwaardigheidsverklaring die aangeeft dat het product presteert conform of beter dan de bestaande normen. Dit heet een beroep op gelijkwaardigheid.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/energieprestatie-nieuwbouw-epn/epc-berekenen/kwaliteits-en-gelijkwaardigheidsverklaringen, geciteerd op 21-12-2016)

Energieprestatie-eisen bij renovaties

“Naast energieprestatie-eisen voor nieuwbouw gelden er ook eisen bij renovaties (het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk). Onderstaande uiteenzetting is een samenvatting van het Bouwbesluit (Bb). Voor de formele wettekst en toelichtingen gaat u naar www.bouwbesluitonline.nl.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-epc/energieprestatie-eisen-bij-renovaties, geciteerd op 21-12-2016)

Energieprestatie BENG

“Vanaf eind 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. De BENG-eisen vervangen per 1 januari 2021 de EPC.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-beng, geciteerd op 21-12-2016)

Wettelijke eisen

BENG komt in grote lijnen overeen met een EPC van 0,2. BENG kent drie eisen: maximale energiebehoefte (kWh/m²/jaar), maximaal primaire fossiele energiegebruik (kWh/m²/jaar) en minimaal aandeel hernieuwbaar op te wekken energie (%). Deze eisen zullen de komende jaren hun precieze vorm krijgen.
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-beng/wettelijke-eisen, geciteerd op 21-12-2016)

Bepalingsmethode

“De BENG-indicatoren kunnen op dit moment alleen bepaald worden uit de tussenresultaten van de berekening van de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC)-berekening (NEN 7120). Het kabinet wil zorgen voor bepalingsmethoden die transparant en eenvoudig zijn en goed aansluiten bij de behoefte van de consument.

Omdat er nu nog geen bepalingsmethode voor BENG beschikbaar is, heeft RVO.nl een handreiking, waarin de bepaling van de drie indicatoren wordt omschrijven. Ook is een rekenblad uitgewerkt om een berekening van de BENG-indicatoren uit te voeren.”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energieprestatie-beng/bepalingsmethode, geciteerd op 21-12-2016)

Energielabel

“Bij de verkoop, verhuur en oplevering van utiliteitsgebouwen en woningen is sinds 1 januari 2015 een geldig energielabel verplicht. De handhaving is in handen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).”
(Bron: www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energielabel-utiliteitsgebouwen en www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels-gebouwen/energielabel-woningen, geciteerd op 21-12-2016)

Meer informatie:

Meer informatie over EPC, BENG, energielabel (en andere energiegerelateerde wetgeving):

Warmtewet

Per 1 januari 2014 geldt de Warmtewet.

Doel van de wet

De Warmtewet is het algemeen wettelijk kader voor warmteleveringen De wet beschermt verbruikers van warmte en koude met een aansluiting tot en met 100 kW.

Deze bescherming is nodig omdat de warmteleverancier, anders dan een leverancier van gas of elektriciteit, een monopoliepositie heeft. Dit komt door de technische en energetische aspecten van warmtelevering. De afnemer kan hierdoor niet op zoek naar de leverancier met de laagste prijs en de beste voorwaarden. Daarom stelt de wet eisen aan leveranciers van warmte. In sommige gevallen geldt ook een vergunningplicht.

Verschillende onderwerpen uit de Warmtewet zijn nader uitgewerkt in het Warmtebesluit en de Warmteregeling.

Reikwijdte van de Warmtewet: verbruiker en leverancier van warmte

Afnemers van warmte met een aansluiting tot en met 100 kW worden ‘verbruikers’ genoemd. Alleen deze verbruikers worden beschermd door de Warmtewet.

Niet alle feitelijke leverancier van warmte zijn ‘leveranciers van warmte’ in de zin van de Warmtewet. Volgens de Warmtewet ben je pas een leverancier als je warmte levert aan verbruikers (dus afnemers met een aansluiting tot en met 100 kW). Alleen voor deze leveranciers gelden regels om de verbruikers te beschermen.

Dit betekent dat afnemers van warmte met een aansluiting groter dan 100 kW niet beschermd zijn. Voor hun leverancier gelden de regels van de Warmtewet namelijk niet.

Wat is warmte?

De Warmtewet definieert ‘warmte’ als: “warm water of tapwater bestemd voor ruimteverwarming of -koeling, sanitaire doeleinden en huishoudelijk gebruik. Koude wordt wel benoemd in de Warmtewet maar hiervoor gelden de regels en vergunningplicht niet. De verwachting is dat koudelevering op termijn wel zal worden gereguleerd.

De wijze waarop de warmte is opgewekt is niet relevant voor de werking van de Warmtewet. Dus warmte uit restwarmte, bodemenergie (WKO) en CV-installaties vallen bijvoorbeeld allemaal onder de Warmtewet.

Regels voor leveranciers

Leveranciers in de zin van de Warmtewet moeten voldoen aan de algemene regels uit de Warmtewet. De belangrijkste algemene regels voor leveranciers zijn:

Bij het niet voldoen aan de regels kunnen (financiële) sancties opgelegd worden.

Vergunningplicht voor leveranciers

In principe heeft een leverancier ook een vergunning nodig voor de levering van warmte. Hiervoor gelden drie uitzonderingen.

Hierdoor heeft een leverancier geen vergunning nodig als:

Aanvullende regels voor vergunningplichtige leveranciers

Voor vergunningplichtige leveranciers gelden naast de standaardeisen een aantal aanvullende eisen. Deze eisen betreffen de boekhouding, betaalwijzen en communicatie.

Rol Autoriteit Consument en Markt

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) registreert de meldingen van leveranciers en is belast met de vergunningverlening en handhaving. Ook speelt de ACM een belangrijke rol in het vaststellen van het maximum tarief en het redelijke rendement.

Sancties

De Autoriteit Consument en Markt kan sancties opleggen als een leverancier niet voldoet aan de regels. Zij kunnen bijvoorbeeld een bestuurlijke boete opleggen. De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 450.000,- of 1% van de omzet van het voorafgaande boekjaar als dat meer is.

Wijziging Warmtewet

Binnenkort zal de Warmtewet gewijzigd worden. Enkele belangrijke punten die in het wetsvoorstel zijn genoemd zijn:

Op dit moment wordt de regelgeving verder uitgewerkt. De verwachting is dat de aangepaste Warmtewet 1 januari 2018 van kracht gaat.

(Bron: B. de Zwart, IF Technology, 23-12-2016)

Algemene milieuwetgeving

Wet milieubeheer (Wm)

“De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet. Deze wet bepaalt welk wettelijk gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen. De belangrijkste instrumenten zijn milieuplannen en milieuprogramma’s, milieukwaliteitseisen, vergun­ningen, algemene regels en handhaving. Ook bevat de wet de regels voor financiële instrumenten, zoals heffingen, bijdragen en schadevergoedingen.

De Wm is een kader- of raamwet: het bevat de algemene regels voor het milieubeheer. Meer specifieke regels worden uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur of AMvB’s) en ministeriële regelingen.

Deze wet legt in grote lijnen vast welke wettelijke instrumenten er zijn om het milieu te beschermen en welke uitgangspunten daarvoor gelden. Zo schrijft de Wm bijvoorbeeld voor dat bedrijven (inrichtingen) over een milieuvergunning moeten beschikken. Daarin moeten voorschriften staan die het milieu ‘de grootst mogelijke bescherming bieden’. Ook bepaalt de Wm bijvoorbeeld welke overheid welke vergunningen verleent en welke plannen de verschillende overheden moeten opstellen.”
(Bron:  www.rijkswaterstaat.nl/water/wetten-regels-en-vergunningen/natuur-en-milieuwetten/wet-milieubeheer.aspx, geciteerd op 29-12-2016)

De Wet milieubeheer is relevant voor de milieueffectrapportage en het bepalen welke activiteiten nader gereguleerd worden via het begrip ‘inrichtingen’.

Een inrichting is simpel gezegd een bedrijf of een fabriek. Minder simpel gezegd is een inrichting ‘elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.’

Voor gesloten systemen zijn binnen en buiten inrichtingen verschillende besluiten van toepassing. Tevens kan een gesloten bodemenergiesysteem zelf als inrichting worden aangemerkt, zie ook www.bodemplus.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bodemenergie/vragen/bodemenergie-0/.

De Wm wordt te zijner tijd opgenomen in de Omgevingswet.

Meer informatie:

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

“De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de ‘moederprocedure’. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een omgevingsvergunningsprocedure.”
(Bron: www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/mer, geciteerd op 23-12-2016)

Aanvullend op de vergunning Waterwet geldt voor open bodemenergiesystemen de m.e.r.(beoordelings)plicht. De criteria zijn beschreven in de Wm.

Voor:

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt voor ieder open bodemenergiesysteem. Doel van deze beoordeling is om te kunnen uitsluiten dat belangrijke nadelige effecten optreden. Dit is geen bijzondere procedure. Het bevoegd gezag motiveert in het moederbesluit (vergunning Waterwet) waarom wel/geen verdere m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. nodig is. In de praktijk wordt voor een open bodemenergiesysteem geen formele m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. geëist.

Formele m.e.r.-beoordeling

Bij de formele m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of sprake is van een activiteit met dusdanig belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat een m.e.r. moet worden gemaakt. Deze beslissing neemt de m.e.r.-commissie binnen zes weken. Daarna komt dit besluit ter inzage te liggen. In de praktijk wordt ook voor m.e.r.-beoordelingsplichtige systemen geen m.e.r. geëist.

M.e.r.-plicht

De m.e.r.-plicht houdt in dat een milieueffectrapportage gemaakt moet worden. Er is een beperkte en een uitgebreide m.e.r.-procedure. Voor watervergunningen geldt de beperkte procedure.

Meer informatie:

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de basis voor een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. De Wabo maakt het mogelijk om, binnen een project, met één omgevingsvergunning verschillende activiteiten (bouw, aanleg, oprichten, gebruik) uit te voeren.

Kern van deze wet is dat de verschillende vergunningen en toestemmingen worden gebundeld in één omgevingsvergunning. In totaal 25 verschillende vergunningen en toestemmingen, die voorheen nodig konden zijn voor het uitvoeren van diverse projecten, zijn nu vervangen door de (integrale) omgevingsvergunning.

Daarnaast kan het aanvragen van een omgevingsvergunning geregeld worden via het indienen van één digitaal aanvraagformulier bij het Omgevingsloket Online (OLO). Dit gemeentelijk loket zorgt ervoor dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor één of meerdere samenhangende activiteiten bij het bevoegd gezag terecht komt. Hoofdregel is dat het college van Burgemeester en Wethouders het bevoegd gezag is voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Het bevoegd gezag moet er voor zorgen dat de voorschriften die aan de te verlenen omgevingsvergunning worden verbonden op elkaar zijn afgestemd. De Wabo moet dus ook een einde maken aan tegenstrijdige voorschriften.

De Wabo wordt te zijner tijd opgenomen in de Omgevingswet.

Meer informatie:

Omgevingswet

Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2019 in werking. Met de Omgevingswet bundelt de overheid de regels voor ruimtelijke projecten. Zo wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Bijvoorbeeld woningbouw op voormalige bedrijventerreinen of de bouw van windmolenparken.

Uitgangspunten Omgevingswet

Het kabinet maakt het omgevingsrecht makkelijker en voegt alle regelingen samen in één Omgevingswet. Een aantal feiten op een rij:

Met de nieuwe Omgevingswet wil het kabinet:

Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. De houding bij het beoordelen van plannen is ‘ja mits’ in plaats van ‘nee tenzij’. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen.

Wat betekent de Omgevingswet voor burgers, bedrijven en overheden?

Hieronder drie voorbeelden:

Omgevingsvisie voor overheden

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincie en gemeente een omgevingsvisie te maken. In de omgevingsvisie moeten zij rekening houden met de verschillende belangen in een gebied. Nu beslissen de overheden vaak alleen over een deelproject. Ze kijken vaak niet naar de andere plannen voor het gebied.

Eén loket voor burgers en bedrijven

Willen burgers of bedrijven straks een project of activiteit starten? Dan hoeven zij nog maar één vergunning (digitaal) aan te vragen bij één loket. Daarna neemt de gemeente of de provincie een beslissing. Zijn de gemeente en de provincie allebei verantwoordelijk voor de vergunningaanvraag? Dan neemt maar één van beide de beslissing. Dit is makkelijker voor de aanvrager. Ook is de vergunningaanvraag zo sneller afgehandeld.

Bedrijven hoeven minder onderzoek te doen

Om een vergunning te krijgen voor een ruimtelijk project, moeten bedrijven onderzoek doen (bijvoorbeeld bodemonderzoek). Door de Omgevingswet zijn onderzoeksgegevens straks langer geldig. Hierdoor is het makkelijker om ze opnieuw te gebruiken. Sommige onderzoeken zijn helemaal niet meer nodig. Dit betekent minder kosten.

(Bron: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet/inhoud/vernieuwing-omgevingsrecht, geciteerd op 23-12-2016)

Wat betekent de Omgevingswet voor bodemenergie?

De regels voor bodemenergie worden in principe onveranderd in de besluiten bij de Omgevingswet opgenomen. Maar omdat in de Omgevingswet een aantal procedures en regels veranderen, zijn een aantal wijzigingen onvermijdbaar. Het is nu nog niet duidelijk welke gevolgen dit heeft voor de regels voor bodemenergie.

(Bron: D. van Beek, IF Technology, 23-12-2016)

Sidebar